Als kiezeltjes strooi ik de dagen achter me aan, schijnbaar zelfzeker van mijn tocht. ‘Ik vind de weg wel terug’, lijk ik te zeggen, ‘Ik weet waarheen ik ga.’ Maar in werkelijkheid hou ik de lippen stijf op elkaar. Zeg niets, vind niets, weet niets.
De dagen vloeien af en aan als flessen Cava op den schoonstens oudejaarsavond van uw leven. Het lijkt wel feest. In zekere zin is het dat ook. Schuimwijn vult warm bruisend de diepste poriën van je ziel. Je kijkt de wereld uitdagend in de ogen. Midden op straat durf je te dansen. Bij nader inzien is het niet jij die kijkt, maar de wereld zelf. En je laat het toe. Je smeekt er om. ‘Kijk maar wereld, kijk naar mij! En zie hoe ik uw oordeel durf weerstaan!’ Schuimsel stroomt en kurken knallen. Monden sluiten zich haastig om de halsen van kolkend flessen, goudbruisend vloeisel golft zich een weg door duizenden kelen en het zingt van vreugde in je hoofd. Het is feest. Feest! Nog een slok, een voor jezelf en een voor de straatstenen. Schol! Verdomme …
Daar waar de kerstboom allang in de vlammen van de haard is verdwenen en slechts koude en donker heeft achtergelaten. Daar waar geen schuimwijn en zelfs geen water stroomt. Daar waar een feestmaal kleiner is dan het kommetje rijst dat wij onze feesttafel niet waardig vonden. Daar waar de wereld elke dag een beetje vergaat, en het leven elke dag een beetje sterven is … Daar. Alle grenzen voorbij. Daar is geen feest.
Quid?
¨
Ik ben als de dood op een dag te beseffen dat ik daar niets aan heb kunnen veranderen. Dromen doe ik niet uit ijdelheid, maar uit hoop, uit overtuiging. En een overtuiging die leef je, doe je, beleef je.
Ik wil de dagen wel plukken – genieten van wat komt en gaat. Maar niet blind.
De angst op een dag – oud en grijs – wakker te schrikken in het besef niets Veranderd te hebben, verstikt mijn dromen. Stel dat ik meer had kunnen doen? Stel dat ik het besef?
Wie is de man die keitjes de rivierbedding in denkt te sleuren wijl de stroom de grootste rots nog niet laat staan? Wie is die man?
Ik strooi de dagen achter mij aan als kiezeltjes. Maar wie verzekert me dat het geen broodkruimels zijn?
Ik heb al spijt van de toekomst voor ze geweest is. Omdat het te weinig zou kunnen zijn. Niets doen, is geen optie, want voor niets ben ik niet geboren. Maar wat als het te weinig is?
Het is meer dan een paradox. En meer ook niet. Zo zijn er ook andere. Even terluiks opgedoken in de laatste, woelige maanden van 2009. Het zijn bloemen in een dal, die ontluiken van onder lagen schijn, waaronder mijn leven, mijn persoonlijkheid, waaronder ikzelf heb en ben begraven. Uit protectionisme …
Waarom verlang ik in een relatie zowel de vrijheid me volledig te kunnen engageren, als knusse zetel-tv-kijk-sfeer. Hoewel het de ijsberg is waarop al mijn relaties stukliepen, is het slechts een schijnbaar probleem dat zichzelf wel kan oplossen als een zachte bruistablet in het vaarwater van mijn volgende relatie. Nog een keer proberen. De aanhouder wint. Door scha en schande … Misschien.
Laag voor laag schraap ik de lagen die ik over me heen heb gegraven van me af.
Ik wil wel grootse dromen dromen en grootse daden stellen, maar ik blijk bang voor de schijnwerpers en als de dood voor het oordeel van anderen. Waarom? Het antwoord lijkt simpel, maar dat is het niet. Paranoïa is een kwaal van deze tijd des mensen. Kan iemand me kwalijk nemen dat ik – gedreven door mijn hoge lat – niet wacht tot men mij zegt waar ik uit de bochtga en zelf reeds eerder bijstuur. Ik wil niet veroordeeld worden. Niet door blikken, niet door woorden, en bovenal niet door mezelf.
Ik wil het beste. En krijg zo niets.
Of is dat doordat ik geen keuzes kan durf maken? Oorzaak-gevolg-gevolg-oorzaak.
Waarom kan ik niet teleurstellen? Moet ik om te leren teleurstellen minder sympathiek worden? Of gaat het hier slechts over ‘echtheid’. Maar wie ben ik, écht? Wie is de ‘mezelf’ die ik zo graag wil (kunnen) zijn? En hoe kan je jezelf zijn als jezelf iets is – iemand is – dat/die zich wil plooien naar de glimlach van anderen, maar om zichzelf te zijn aan de afhankelijkheid van anderen moet ontsnappen? Moet je dan aan jezelf ontsnappen?
Het is geen kwestie van arrogantie. Het is een kwestie van trots. Maar hoe toon je dat? Hoe lach je schuchter en toch zelfzeker zonder Bent Van Looy te heten?
Ik ben ik. En jij bent jij. Zoveel is zeker. Maar wat dan? Wat verder?
Waarom hou ik van mijn drie ouders en ben ik graag thuis, terwijl ik een hekel heb aan co-ouderschap? Misschien is mijn haat voor het co-ouderschap geen haat voor het systeem, maar een diepgewortelde allergie voor de conflicten, voor de frustraties, voor de pijn. Dat doet er verder ook niet toe. Het is maar ter vervolmaking van de lijst der paradoxen.
Daar waar het mistig is, huizen de dromen van morgen. Intense dromen. Beetje bij beetje openbaart zich in mij – aan mij – een droom. Ik wil zal weer dansend door het leven gaan. Ik wil een Levenskunstenaar worden.
De knoop is groot, verwarrend. Maar eens ontward. Wie weet …
Een droom is een droom is een droom is een droom …

