elke droom telt

17 05 2010

Zachtjes ruisen de tonen van muziek van vroeger door mijn oren. In mijn hoofd speelt zich een film af uit het verleden. Hoe ik, hoe een jongere ik, leefde. Verdwaasd is mijn geest, alsof ook het bloed dat door mijn aderen pulseert dat van vroeger is. Alsof het hele leven overdekt is met een flinterdun laagje goudgeel stof dat het verleden weerspiegelt in het verse zonlicht.

Ik ben een kind. Van de jaren negentig. Hoewel verwekt voor, ter wereld gekomen na de val van de Berlijnse muur. Opgegroeid in een wereld ver van oorlog en geweld, onbewust van een Eerste Golfoorlog of de implosie van Joegoeslavië. Een kind van vooruitgang. Een kind van het toenmalige heden en van de hedendaagse toekomst.
Zonder dat die gedachte ooit bewust bij mij is opgekomen, proefde mijn eerste decennium als een constante, eindeloze evolutie naar nog beter. Alsof ik geboren was op het hoogtepunt van de beschaving. Alsof die beschaving zich nog stapje per stapje verder naar omhoog trok. Alsof het moment waarop ik leefde, waarop wij leefden, het meest volmaakte moment uit de wereldgeschiedenis was. Een volmaakt moment dat weliswaar niet af was, maar toch bewoog naar het punt waarop de wereld wel af zou zijn.

Ik heb als kind nooit begrepen waarom de Bijbel uitmondt in de Apocalips. Ik begreep niet hoe iemand kon geloven dat de wereld zich bergafwaarts bewoog, terwijl alles er in mijn ogen op wees dat het goed ging, dat het goed was.

Pas later is mijn besef gekomen dat de wereldgeschiedenis geen constante lijn naar omhoog is. Wereld Oorlog II is het diepste punt dat ‘onze beschaving’ ooit bereikt heeft, een diepte die gemakkelijk op Den Duits afgeschoven zou kunnen worden is, maar die eigenlijk de diepte van onze eigen industriële denktrant is. Het aanslepende conflict in Israël-Palestina is evenmin een bewijs van vooruitgang. De ecologische toestand van onze planeet, het groeiende conflict tussen ‘westers’ en ‘Islam’, de frustratie binnen ons eigen België … Het zijn al die voorbeelden die tot me zijn beginnen door dringen. Tijdens het opgroeien. Tijdens het groter worden.

Het besef groeide.

Het besef zou me kunnen verlammen. Dat heeft het ook, althans mijn hoop. Ik meen dat het beseft bijzonder veel westerse, opgroeiende mensen verlamt – in de loop van het leven. De moderne versie van hoe men jong en communist hoort te zijn en minder jong en kapitalist, luidt volgens mij dat men jong en optimist mag zijn, maar dat men eens ouder beter een mantel van onverschilligheid aantrekt. Zolang men jong is, durft men dromen. Mag men het ook. Als we ouder worden – en dat ouder situeer ik niet rond 30, maar rond 18 jaar – dan lijkt het tijd om de ogen te openen, om realistisch te worden. En in onze westerse maatschappij betekent dat al gauw: tijd om de blik af te wenden van de problemen die we als onvatbaar beschouwen.

Ik geloof dat het goed is de ogen te openen – realistisch te worden. Met dromen alléén bouwt men geen betere wereld, noch een toekomst. Maar waarom die blik – eens de ogen geopend – dan afwenden? Waarom toelaten dat de onverschilligheid zich onder onze huid vastzet als nicotineresten onder rokersnagels? Waarom gaan geloven dat het toch geen verschil maakt, jouw ene droom? Waarop opgeven?

Als ik in onze maatschappij, in de druk van het alles en iedereen, van de grote stroom, van peer pressure en van iedereen hetzelfde; als ik daarin iets zou kunnen veranderen, dan was het dat we bij het ouder worden onze blik niet zouden afwenden van de wereld en haar problemen, maar hem er strak op gericht zouden houden; dat we dan af en toe bij het knipperen met onze ogen onze droom nog op onze oogleden gebrand zouden zien; dat we dan samen, met realistisch open blik, met de nazinderende dromen van ons allen, dat we zo iets zouden kunnen, iets zouden durven betekenen.

Want zoals dat is met stemmen, zo is dat ook met dromen: elke stem telt. Elke eerlijke aankoop, elke ecologische druppel, elk vonkje energie, elk beetje …

Elke droom … telt.





Verkiezingen 2010: Siegfried Bracke

14 05 2010

Siegfried – Ziegfried­ – Bracke is zachtjes, noch subtiel de politiek binnengedraald. Langs de grote poort van het N-VA fort schreed hij binnen en op zijn eerste persconferentie sloeg hij zijn eigen oud-collega’s meteen met statements om de oren. Statements die hij met een fonkeling van trots in de ogen de bijstelling “heel belangrijk” meegeeft.

Hoewel mijn visie op het partijpolitieke landschap van België al voor Brackes “moeilijkste beslissing uit mijn leven” enige instabiliteit vertoonde, is het niet zo ver beneven de waarheid te onderkennen dat Ziegfried mijn onbesliste stem enkel onbeslister heeft gemaakt. Zelfs ik ben uiteindelijk gaan overwegen wat een stem, wat mijn stem voor N-VA zou kunnen betekenen.

Als ik Bracke moet geloven … – en het valt me best moeilijk hem niet te geloven of me niet op z’n minst af te vragen wat hem drijft in zijn keuze(s) en zijn uitspraken, al was het maar omdat ik hem steeds heb beschouwd als een man van rode gedachten en ik nog steeds het rode (of zich dat nu mengt met groen, oranje, blauw of zelfs geel) nastreef in mijn politieke zoektocht – … als ik hem màg geloven, dan is een stem voor zijn partij een keuze voor de traditie van Hugo Schiltz. Bracke poogt daarmee op te werpen dat de N-VA het pad van dialoog wil bewandelen. Dat lijkt me wel wat …

Maar … al vind ik Schiltz’ traditie reanimeren op zich een nobel en hoopvol idee, ik heb toch enige bedenking bij dit manoevre van de N-VA dat me eerder als een tactische bocht voorkomt, en niet zozeer als een nobele en consequente houding die de N-VA ook de voorbije jaren heeft willen innemen.

Ik zou zoals een van Brackes oud-collega’s kunnen opwerpen waar die fameuze Maddensdoctrine toch is gebleven, maar zie zelf het nut van die vraag niet in, aangezien dat specifieke punt van kritiek makkelijk verworpen kan worden door op te merken dat het innemen van een federaal niveau (ook in mijn ogen) meer kans biedt op resultaat dan het uitroken ervan. Met andere woorden: in verkiezingstijd Maddensdoctrineren kan enkel schade berokkenen: zowel electoraal aan de N-VA als in het algemeen aan ons land of aan de hervorming ervan. Ook dat die Maddensdoctrine toch alles behalve een dialooggerichte houding is, zou nog kunnen worden uitgelegd door op te werpen dat het de Franstaligen waren die met hun ‘Non’ de Vlaamsgezinde politici tot zulk een halsstarrige houding hadden gedwongen – het is toch godgeklaagd, niet waar?

Ik denk evenwel dat de sluwheid van deze Schiltz-adoratie wel duidelijk(er) blijkt als we nog één stapje verder het verleden in zetten, en wel naar de campagne van 2007. Weinig Vlamingen lijken het zich nog te herinneren, maar het ‘Vlaams kartel’ won die verkiezing op een erg sterk en vijandig communautair discours. Dat de one-liners van Yves Leterme, die hem voor de rest van zijn leven zullen achtervolgen, enkel sterk waren, wil ik eventueel erkennen, maar dat de N-VA campagne – “Laat Vlaanderen niet st(r)ikken”, een persoonlijke allusie op Elio Di Rupo – niet vijandig was, is een illusie die ik mezelf, en met mij ook alle andere Vlamingen, wil besparen.

Ik ben er van overtuigd dat CD&V en N-VA zelf verantwoordelijk waren voor het ‘non’ van de Franstaligen in 2007. Niemand die een beetje menselijk is, zou met genoegen aan een onderhandelingstafel gaan zitten waar – zoals dat was aangekondigd – geen compromis, maar een onvoorwaardelijke hervorming zou worden “onderhandeld” (ahum.). Niemand zou ‘oui’ zeggen over onderhandelingen die worden herleid tot onvoorwaardelijk toezeggen. Dat de houding van de Franstalig maandenlang krampachtig ‘non’ is gebleven, wens ik niet goed te praten, maar wél dat er een ‘non’ kwam op de driedubbele eis van (1) een onvoorwaardelijke staatshervorming, (2) een rooms-blauwe regering (zonder tweederdemeerderheid), (3) Yves Leterme als premier.

Het is trouwens Siegfried Bracke zelf die in 2007 opmerkte dat de massale aanwezigheid van leeuwenvlaggen op het verkiezingsoverwinningsfeestje van het Vlaams kartel door de Franstaligen toch niet onthaald zou worden op veel onderhandelingsbereidheid.

Dat de N-VA bij monde van diezelfde Siegfried Bracke zichzelf nu opwerpt als onderhandelingsbereide partij stemt, mijns inziens, niet overeen met de houding die de partij sinds haar ontstaan heeft aangenomen. In 2007 was het met het mes op de keel van de Franstaligen alles of niets. Is dat mes nu werkelijk een uitgestoken hand geworden? Moi, je m’en doute.

De staatshervorming van de N-VA …
… is die nu radicaal en onvoorwaardelijk, en dus gedoemd om op een hoogst begrijpelijk ‘non’ van de Franstaligen te botsen?
… of zal ze gerealiseerd worden met een open en onderhandelingsbereide houding die ik de partij nog nooit aan de dag heb weten leggen, maar waar ze nu wel mijn stem mee probeert te krijgen?





20.

12 05 2010

“En hoe voelt dat nu?” vragen ze me dan, “hoe voelt dat nu om twintig te zijn?” Alsof niet iedereen weet dat dat kleine verschil, dat die kleine stap tussen 23u59 op de laatste tienerdag van je leven en 00u00 op de eerste dag van je eenentwintigste levensjaar te verwaarlozen is, en eigenlijk helemaal niets betekent. Ik mocht al stemmen, ik was al te jong om op te komen voor de federale verkiezingen, ik mocht al autorijden, ik was al handelingsbekwaam en de wolken die op 11 mei de hemel sierden waren er op 10 mei ook. So no big deal. Er is geen knijt verandert, wat wilt u dat ik me anders voel?

Edoch. Hoewel ik me er volledig van bewust ben dat het an sich niets met mijn twintigste verjaardag te maken heeft, ontpopt er zich dezer dagen een gevoel in mijn binnenste dat ik uit pure gemakszucht – of symboliek, c’est comme tu veux – wel aan de levensjaarovergang wil verbinden. Omdat ik nu eenmaal periodiek denk, en periodes om afbakeningen vragen.

Het gevoel heet hoop. Of geluk. Of lente. What’s in a name?!

Zo
onaf
als dit bericht is
is ook mijn gevoel.

Want we zien wel.
We zien wel wat de volgende letters zijn
de volgende woorden. We zien wel.

We hebben tijd.

en dromen.





Daar waar het mistig is …

5 01 2010

Als kiezeltjes strooi ik de dagen achter me aan, schijnbaar zelfzeker van mijn tocht. ‘Ik vind de weg wel terug’, lijk ik te zeggen, ‘Ik weet waarheen ik ga.’ Maar in werkelijkheid hou ik de lippen stijf op elkaar. Zeg niets, vind niets, weet niets.

De dagen vloeien af en aan als flessen Cava op den schoonstens oudejaarsavond van uw leven. Het lijkt wel feest. In zekere zin is het dat ook. Schuimwijn vult warm bruisend de diepste poriën van je ziel. Je kijkt de wereld uitdagend in de ogen. Midden op straat durf je te dansen. Bij nader inzien is het niet jij die kijkt, maar de wereld zelf. En je laat het toe. Je smeekt er om. ‘Kijk maar wereld, kijk naar mij! En zie hoe ik uw oordeel durf weerstaan!’ Schuimsel stroomt en kurken knallen. Monden sluiten zich haastig om de halsen van kolkend flessen, goudbruisend vloeisel golft zich een weg door duizenden kelen en het zingt van vreugde in je hoofd. Het is feest. Feest! Nog een slok, een voor jezelf en een voor de straatstenen. Schol! Verdomme …

Daar waar de kerstboom allang in de vlammen van de haard is verdwenen en slechts koude en donker heeft achtergelaten. Daar waar geen schuimwijn en zelfs geen water stroomt. Daar waar een feestmaal kleiner is dan het kommetje rijst dat wij onze feesttafel niet waardig vonden. Daar waar de wereld elke dag een beetje vergaat, en het leven elke dag een beetje sterven is … Daar. Alle grenzen voorbij. Daar is geen feest.

Quid?

¨

Ik ben als de dood op een dag te beseffen dat ik daar niets aan heb kunnen veranderen. Dromen doe ik niet uit ijdelheid, maar uit hoop, uit overtuiging. En een overtuiging die leef je, doe je, beleef je.

Ik wil de dagen wel plukken – genieten van wat komt en gaat. Maar niet blind.

De angst op een dag – oud en grijs – wakker te schrikken in het besef niets Veranderd te hebben, verstikt mijn dromen. Stel dat ik meer had kunnen doen? Stel dat ik het besef?

Wie is de man die keitjes de rivierbedding in denkt te sleuren wijl de stroom de grootste rots nog niet laat staan? Wie is die man?

Ik strooi de dagen achter mij aan als kiezeltjes. Maar wie verzekert me dat het geen broodkruimels zijn?

Ik heb al spijt van de toekomst voor ze geweest is. Omdat het te weinig zou kunnen zijn. Niets doen, is geen optie, want voor niets ben ik niet geboren. Maar wat als het te weinig is?

Het is meer dan een paradox. En meer ook niet. Zo zijn er ook andere. Even terluiks opgedoken in de laatste, woelige maanden van 2009. Het zijn bloemen in een dal, die ontluiken van onder lagen schijn, waaronder mijn leven, mijn persoonlijkheid, waaronder ikzelf heb en ben begraven. Uit protectionisme …

Waarom verlang ik in een relatie zowel de vrijheid me volledig te kunnen engageren, als knusse zetel-tv-kijk-sfeer. Hoewel het de ijsberg is waarop al mijn relaties stukliepen, is het slechts een schijnbaar probleem dat zichzelf wel kan oplossen als een zachte bruistablet in het vaarwater van mijn volgende relatie. Nog een keer proberen. De aanhouder wint. Door scha en schande … Misschien.

Laag voor laag schraap ik de lagen die ik over me heen heb gegraven van me af.

Ik wil wel grootse dromen dromen en grootse daden stellen, maar ik blijk bang voor de schijnwerpers en als de dood voor het oordeel van anderen. Waarom? Het antwoord lijkt simpel, maar dat is het niet. Paranoïa is een kwaal van deze tijd des mensen. Kan iemand me kwalijk nemen dat ik – gedreven door mijn hoge lat –  niet wacht tot men mij zegt waar ik uit de bochtga en zelf reeds eerder bijstuur. Ik wil niet veroordeeld worden. Niet door blikken, niet door woorden, en bovenal niet door mezelf.

Ik wil het beste. En krijg zo niets.

Of is dat doordat ik geen keuzes kan durf maken? Oorzaak-gevolg-gevolg-oorzaak.

Waarom kan ik niet teleurstellen? Moet ik om te leren teleurstellen minder sympathiek worden? Of gaat het hier slechts over ‘echtheid’. Maar wie ben ik, écht? Wie is de ‘mezelf’ die ik zo graag wil (kunnen) zijn? En hoe kan je jezelf zijn als jezelf iets is – iemand is – dat/die zich wil plooien naar de glimlach van anderen, maar om zichzelf te zijn aan de afhankelijkheid van anderen moet ontsnappen? Moet je dan aan jezelf ontsnappen?

Het is geen kwestie van arrogantie. Het is een kwestie van trots. Maar hoe toon je dat? Hoe lach je schuchter en toch zelfzeker zonder Bent Van Looy te heten?

 Ik ben ik. En jij bent jij. Zoveel is zeker. Maar wat dan? Wat verder?

Waarom hou ik van mijn drie ouders en ben ik graag thuis, terwijl ik een hekel heb aan co-ouderschap? Misschien is mijn haat voor het co-ouderschap geen haat voor het systeem, maar een diepgewortelde allergie voor de conflicten, voor de frustraties, voor de pijn. Dat doet er verder ook niet toe. Het is maar ter vervolmaking van de lijst der paradoxen.

Daar waar het mistig is, huizen de dromen van morgen. Intense dromen. Beetje bij beetje openbaart zich in mij – aan mij – een droom. Ik wil zal weer dansend door het leven gaan. Ik wil een Levenskunstenaar worden.

De knoop is groot, verwarrend. Maar eens ontward. Wie weet …

Een droom is een droom is een droom is een droom …





Smelt.

10 10 2009

Ik sta hier zonder vacht
zelfs mijn badjas uitgedaan
Ik sta hier en ik wacht
op jou, tot jij
weer lacht
en nooit meer weg zult gaan.

Ik ril wanneer de eerste sneeuw
mijn huid bedekt
En niet zij, maar ik smelt.

Eenzaam
en van kou.
Smelt en smelt en
smelt ik weer.
“Het leven is slechts nevel.”
Dat heb jij me ooit verteld.
Smelt ik eenzaam.
En van kou.
Ik word vloeibaar.
Ik word jou.





maar één paar stappen in het zand

20 09 2009

Je trappelt. Je trappelt maar. Je trappelt, spartelt, schopt en zwemt. Dat kan je, want je bent sterk. Je moet wel. Want al dient de vermoeidheid zich steeds scherper aan – een pijnscheut in je spieren, water in je mond - je blijft trappelen. Je proest het binnengehapte water weer uit. Je blijft spartelen. Je moet. Het is zo gewild. Door wie? Waarom?

Ik heb zo van die momenten dat ik zoveel te doen lijk te hebben, dat ik niet weet waar te beginnen … En hoewel ik dan wel besef dat het het meest efficiënt is om gewoon ergens mee te beginnen, valt alles me dan zwaar … En dan word ik neerslachtig enzo … En dan begrijp ik niet goed wat het Waarom van de Dingen is … En dan vraag ik me af of die neerslachtigheid een puberteitsuitloper is …
of iets dat me voor de rest van m’n leven af en toe zal overvallen …

Ook aan sterke mensen gaat uiteindelijk de vermoeidheid vreten. Jij blijft trappelen. Jij houdt vol. Jij bent een doorzetter. Je zoekt. Naar dat randje om op te staan. Je hapt naar lucht. Je spartelt door. Het àlles verzwelgt je. Het dreigt op niets uit te draaien. Je zoekt naar die rand. Vind je hem ooit? Die verdomme verdomde rand!

Soms voel ik me echt zo’n … puber … op zoek naar houvast in het leven … Zou dat puberteit zijn, en dus iets dat overgaat, of zou het blijven duren?

Waarom moet het leven ook zoveel op een woeste oceaan lijken, en zo weinig op een zwembad?

Vroeger
Dacht ik dat het leven te complex was voor mij
Nu denk ik steeds vaker
Dat ik misschien te complex ben voor het leven …

“Laat mij je helpen!” roep je de anderen toe, al klinkt je stem zo ijl dat je niet zeker weet of je dat nu werkelijk zelf zei. Of je dat wel wilde zeggen. “Laat mij je helpen, hou vol!” Je bent nooit de enige drenkeling. Er zijn ook andere schepen die vergaan, met andere opvarenden. “Laat me je helpen! Samen raken we hier wel uit.” Terwijl hoor je jezelf denken – zonder twijfel of jij het nu wel zelf bent – ‘waar is verdomme de uitgang van deze kutzee?’

Ik zou liever deel van de wereldverbetering zijn … Dan deel van de afremming van de wereldverslechtering …
Soms heb ik het gevoel dat we over de top geboren zijn. Dat er verbetering is geweest … Maar dat we daar terug van afdwalen nu … Doordat onze westerse besvhaving stresserender wordt en de niet-westerse ofwel vijandiger ofwel armer …

Zie me hier nu spartelen? Twee uitgestoken handen. Als ik er fysiek toe in staat zou zijn ook nog tien uitgestoken tenen. Golf na golf overspoelt … ~ ”Ik word verzwolgen,” zeiden zijn ogen me, “verzwolgen door het leven”. Maar wat doe je eraan? – Zwemmen natuurlijk ~
Ik ben niet alleen neen. Maar zelfs steunend op de reddingsboeien van anderen … Het water blijft koud. Armen om me aan te warmen zijn er niet meer, wilden niet meer …

Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?

Hij ademde mijn lippen.
Ik was zijn deken in de nacht.
Mocht hij weer binnen glippen …

Is hij op wie ik wacht?

Op mijn lichaam rust nog zacht
van kus en geur de afdruk
ik staar telkens naar die deur
telkens ik mij afruk

Alsof hij slechts voor even
naar buiten was gegaan
Alsof hij op mijn hoogtepunt
weer voor die deur zou staan

Mocht hij maar binnen glippen
Werd hij mijn deken zacht
Ik gaf hem heel mijn lippen
Ik proefde al zijn pracht …

Alsof hij slechts voor even
Eén nacht …
werd dat nu maar m’n leven.

Was hij maar gebleven.

Spartelend voel je alle energie uit je wegstromen. Doe het toch rustig, jongen. Neem toch je tijd.
Drijvend kan je minder lasten met je meedragen. En dan? ik wil toch een goede Vriend zijn? Maar drijven is lichter. Drijven is zacht.

En toen?

En toen zoek ik naar het Waarom.
En op zo’n momenten voelt alles als een Zware Plicht.
Ik ben perfect in staat de verhalen van vijf boeken door elkaar te lezen … maar als ik geen overzicht meer zie over mijn to-do-list worden ook de boeken die ik aan het lezen ben een last ‘want die MOETEN uitraken’ … en zo wordt die to-do-list enkel groter. Enkel zwaarder.

Ik kan perfect van alles en iedereen houden. Maar ze maken het zo moeilijk te combineren.

 Neemt en drinkt hiervan gij alleen, want dit is mijn bloed …

Welke vader zou niet trots zijn op een zoon die droomt de wereld haar vrede weder te geven? De Onwetende?

Op een dag zal ik weg zijn en
wat dan? Verdwenen zonder een
teken te geven of te nemen en
het puin dat ik achterlaat is
niet langer lachwekkend.

Want wie zoals ik nooit heeft
gebouwen laat niets achter dan
verwachting en verwarring en
wat dan?

Wellicht in uw herinnering zal ik
stollen verstijven, niet lang meer
blijven maar verbleken tot verleden
en wat toen? Te doen?
‘Het was waar’ zult gij zeggen ‘hij speelde
met woorden als geen ander maar wat
heeft dat te betekenen.’ Zo bleek zal
ik zijn.

In u …

En wat dan…?

Ik weet het niet, Vader. Ik weet niet hoe of waar de rand van het zwembad te vinden om even – al was het maar heel heel even – te kunnen rusten.

“we zien alles te groots nu – terwijl het mss beter is dat iedereen het klein ziet én er dan ook effectief iets kan doen ipv het groots zien en machteloos zijn”

Ik heb je nodig, Vriend. Ik heb je nodig, Vriendin. Uur na uur, dag na dag. Ik heb je nodig. Want alleen word ik verzwolgen.

Ik droomde eens dat ik aan zee liep bij laag tij.
Ik was daar niet alleen, want God liep aan mijn zij.
We liepen samen het leven door
en lieten in het zand, een spoor
van stappen, twee aan twee
Want God liep aan mijn hand.

Ik stopte en keek achterom
en zag daar mijn levensloop
in tijden van geluk en vreugde
van diepe smart en hoop.
Maar als ik goed het spoor bekeek
zag ik langs heel de baan
daar waar het juist het moeilijkst was
maar één paar stappen staan.

Ik zei toen: “God, waarom dan toch?
Juist toen ik U nodig had?
Juist toen ik zelf geen uitkomst zag
op het zwaarste deel van mijn pad?

De Heer keek me toen vol liefde aan
en antwoordde op mijn vragen:
“Mijn lieve kind, toen ‘t moeilijk was,
toen heb ik jou gedragen.”

Bedankt. Écht bedankt. 





Heer

22 08 2009

HEER,

U aanspreken zoals ik nu doe is niet belachelijker dan mezelf aanspreken, niet dwazer dan een aanhef als ‘Lieve X’ gebruiken wanneer ik in feite met mijn woorden de lezende blik van méér mensen dan ‘Lieve X’ wil treffen. En toch. Het voelt belachelijker. Het voelt dwazer. Omdat U niet bestaat?

“Gelukkig zijn, is slechts een kwestie van gelukkig maken”, beweerde een jongere versie van mijn spiegelbeeld in een niet nader bepaald verleden stellig tegen mij, “het is een kwestie van de band die elke mens verbindt met andere mensen – een band van liefde – van die band voortdurend te hernieuwen, te eren.” Ik geloofde hem. Ik geloofde het. Als we de mening van ons spiegelbeeld al niet meer kunnen geloven, wat dan nog wel? Ik geloofde.

Ik geloofde in wat ik dan ‘Liefde’ wilde noemen. Gelukkig zijn, gelukkig maken.

Pas later ben ik in U gaan geloven.
Het is misschien juister te zeggen dat ik pas later ben gaan beseffen dat ik dat al deed. Ik geloofde al in U.

Of U nu een gefosilliseerde fantasie bent – een grote man met witte lange baard, naar wiens model de mens himself geschapen is (wat zou betekenen dat u één rib meer heeft dan wij) – dan wel een metafoor om de verlaten en eenzame mens de op moeilijke momenten de onwelkome diepere denkoefening wie of wat U bent te besparen. Of U nu werkelijk zoiets dwaas als een vingerknippende, met échtere dan échte lego-spelende oude mens bent, wiens fantasie even onuitgeput, als gedetailleerd als wreed is, dan wel Naam en Woord om de poorten van ons eigen binnenste zijn te benoemen. Of U zal verdreven worden door wetenschappelijk bewijs, dan wel voor altijd aanwezig zult zijn in ons midden in uw christelijke of in een andere vorm …

Wat U ook bent. Of wat ook niet. (Al geloof ik zelf dan steevast in de tweede van bovenstaande duo’s hypotheses)
De Liefde. Een eeuwigdurend verbond?
De Liefde. Neemt, (deelt,)  en eet hiervan gij allen?
De Liefde. In ieder van ons?
De Liefde. HEER?

Bent u ‘de Heer’ omdat U aanspreken als ‘lieve God’ me te belachelijk zou lijken? Bent u de Heer omdat de mensen U per se willen kunnen aanspreken als een Oppersoortgenoot? Bent u de Heer omdat het ons oncomfortabel voorkomt tegen krachten zonder gezicht te praten?

U bent het verbond, het geluk, de liefde, de kracht. U bent wat ons bindt.
En luisterend fluisteren kruinen mee.

Gelukkig zijn is gelukkig maken. En ik geloof.

Njah.

Wie had ooit gedacht dat dat dan toch zo moeilijk zou zijn.

Wanneer wijken steden worden, sluipt ook daar eenzaamheid door elke spleet de huizen binnen, door elke porie de ziel. De Stommiteit van de ander die mijn GELUK doorkruiste, doorkruist het GELUK van de ander. Die doorkruising doorkruist weerom mijn GELUK.
Dan is het makkelijker om in stilte te spreken. ALLES laat zich doorkruisen, maar de stilte die te vatten valt in drie enkele puntjes niet:

Ook al redde ik hen van die spin met reusachtige poten en die twee wespen die wij Bobby en Robby doopten, zij bleven mij niet trouw. HEER, waarom hebt Gij mij verlaten?

Vergeef mij Heer, want het is zwaar geluk te houden én te geven.
Vergeef mij Heer, want ik heb dubbel gefaald.
Vergeef mij Heer, want ik begrijp niet – en dat zal ik misschien wel nooit … Waarom toch? WAAROM is ons bestaan zo vervuld van twijfel, Heer? En is de vrede in oorlogsgebeid dan werkelijk even onmogelijk als nooit met Iemand te botsen?





Maar zou ik het echt anders willen?

27 07 2009

Het is vandaag zomer, de zon schijnt, zwoele terrasavonden kondigen zich aan, het is slechts wachten op een uitnodiging, ook van mezelf, terwijl verdrink ik mij in boeken … Het is zo’n moment om mijn blog te vullen met melancholische zinnen vol verlangen naar … 

Het voelt aan als een tijd. Een tijd om in toetsenborden te kruipen. Een tijd om op zoek te gaan naar woorden die het onvatbare willen vatten. De wereld is verwarrend, ja. Maar zou ik het echt anders willen? 

De VDS'ers - instructoren én cursisten - zijn opgeklommen tot dé sterren van mijn leven, fonkelend, schitterend, stralend.

De VDS'ers - instructoren én cursisten - zijn opgeklommen tot dé sterren van mijn leven, fonkelend, schitterend, stralend.

De voorbije week bonkte mijn hart van dankbaar geluk. De Vlaamse Dienst Speelpleinwerk heeft zich – samen met de Leuvense speelpleinwerkingen - naar het centrum van mijn engagementen gewrongen. De VDS’ers – instructoren én cursisten – zijn opgeklommen tot dé sterren van mijn leven, fonkelend, schitterend, stralend. Mijn hemel is het paradijs. Mijn hemel is één fel Licht. Ach, wat zou ik zonder? Elf briefjes naar elf mede-instructoren wachten om geschreven te worden. Elfmaal verwoorden wat een heerlijkheid het is, wat een zege. Groeien als mens, groeien als instructor, als jeugdwerker in het algemeen. jezelf en anderen tegenkomen. En zo intens genieten.

 Terzelfdertijd bleken de voorbije dagen deel van de week waarin mijn politieke droom een nieuwe, ditmaal extra harde, klap kreeg. Ik ben fan Vande Frank. De visie Vande Frank lijkt de mijne. De politiek Vande Frank lijkt de politiek waarin ik geloof. Het staatsmanschap en de onderwijsplannen Vande Frank zitten diep verankerd in mijn dwaze tienerhart. “Hoe kan ze?” galmt het in mijn hoofd. “Waarom?” … Ik vind geen antwoord op mijn vragen. De verkiezingsnederlaag van 2007 kon ik kaderen, de bocht die de partij daarna leek te nemen, weg van waar ik mezelf positioneerde, begreep ik au fond ook wel. Maar dit? Ik slaag er al niet in het uit te leggen aan mezelf, hoe zou ik het dan ooit nog kunnen uitleggen aan de andere kiezers in dit land? Frank was in het reeds langgepasseerde 2004 de eerste man die me de woorden ‘zo wil ik ook worden’ ontlokte, ‘dat wil ik ook doen!’. Frank was het enige motief om tussen 2007 en vandaag aan boord van het sp.a-schip te blijven. Frank was mijn enige reden om Vlaams op sp.a te stemmen, het was de enige reden dat ik in Vlaams-Brabant de sp.a boven SLP en Groen! wilde positioneren. Pascal Smet is ook voor mij de meest geschikte Brussel-minister als de SP.a hem moet leveren. Maar Frank?! Ingrid Lieten vind ik geen slechte zaak. Maar Frank?! En ook Freya mag van mij opnieuw het voorplan kleuren. Maar Frank?!

STOP!
Mijn onbegrip versleepte twee weken geleden toen ik aan bovenstaande cursieve woorden begon mijn focus al, van het Genot naar de Teleurstelling. Halsstarrig blijf ik doorgaan. Halsstarrig blijf ik zoeken. She broke my heart. Ik wil het prevelen. Ik wil dat het dramatisch klinkt. Ik wil het geloven. En ik wil dat zij het voelt. Zij! CG. Zo blijf ik weigeren mijn politieke ziel en hart in een coma te doen verglijden. Hoe kan één gefrustreerde vrouw mijn geloof in sociaal-democratie zo’n uppercut verkopen? Hoe kan zij wat ik beschouwde als de kans op een revival van die partij die ik dan toch niet langer de mijne wens te noemen, vergooien? Hoe kan het dat ik dan toch nog medeplichtig zal zijn aan elk doemscénario wanneer ik weiger me bij de beslissing die mijn politieke hart brak neer te leggen? Hoe kan het dat ik riskeer beschuldigt te worden van selffulfilling prophecy. Want haar keuze massaal afkeuren zàl mijn voorspelling dat het de partij niet zal redden waarmaken. Is het misschien tijd dat ik mijn politieke hart en ziel in een coma durf laten verglijden? Dat ik mezelf loskoppel van de machine die me uit die politiek coma houdt?

STOP!
Twee jaar lang heb ik getast in het donker. Mijn politieke visie die ik achtereenvolgens en door elkaar met allerlei namen gaande van links-liberalisme tot christen-democratisch ecologisme heb benoemd was voor mezelf standvastiger dan ooit. Twee jaar lang heb ik vanuit de rode partij de andere gezocht. Twee jaar na het ontstaan van de eerste barst in mijn geloof in mijn partij, vijf jaar en een half na het begin van mijn lidmaatschap van de socialistische partij . anders hapert mijn partijgeloof. Mijn partijengeloof. Mijn geloof in politiek houdt stand.

STOP!
Ik heb mezelf de dure eed gezworen slecht aan politiek te doen wanneer ik dat op een eerlijke manier kon. De keuze die ik zo vreesde, de keuze tussen mijn naast elkaar bestaande passies – speelplein-VDS; toneel; politiek … Die keuze lijkt zich uiteindelijk zélf te maken. Ik vrees ze niet langer. De vaandel van democratie en eerlijkheid dragen binnen een partij, waar een regeerprogramma democratisch (en helaaslijk in mijn afwezigheid) wordt goedgekeurd, maar waar de keuze van de uitvoerders van dat gezamenlijk gesteund programma in handen ligt van één enkel iemand … met het gekende nefaste gevolg … ik kan het niet. Of juister: ik wíl het niet. Haar waarom verandert voor zover het mij inmiddels bekend is niets aan de zaak. Argumenten als “Frank maakte het te bont; er is een verschil tussen gelijk hebben en de andere daar ook van kunnen overtuigen” en “Vandenbroucke focust op doelgroepen, terwijl de Stevaert-Gennez-doctrine een (duurder) socialisme wil dat een directe impact heeft op iedereen” sterken me enkel in mijn overtuiging, net als de afwezigheid van Vandenbroucke op het krokodillentheekransje begin juli. Ik begrijp dat de partij nood heeft aan eensgezindheid. Ik weet dat ik haar die nu niet wil brengen. Na een te zwak generatiepact I en het uitblijven van een generatiepact II, na een JohanLievens-vakbondsaanvaring binnen animo na de verkiezingen van 2007, na de steun aan de staking vorige herfst toen de economische crisis zich nog aan het ontpoppen was, geeft uiteindelijk de politieke moord op mijn politiek idool en gedurende lange tijd mijn enige reden om lid te blijven de doorslag: ik wíl niet langer deel zijn van zo’n partij. Ik kan enkel hopen dat Pascal Smets beleid mijn ongelijk bewijst. Hopen, vanaan de zijlijn. Misschien blijkt het punt dat ik nu wil zetten – slechts drie brievan van mij verwijderd: één brief naar Frank Vandenbroucke met mijn bewondering, één brief naar Caroline Gennez met mijn lidkaart en mijn teleurstelling, en één brief naar animo met mijn lidkaart en mijn politieke dromen - misschien blijkt dat punt onder vijf jaar Geloven in één bepaald pad waarop ik mijn politieke visie wilde doen wandelen … misschien blijkt dat punt op een dag een komma …

STOP STOP STOP!
Genoeg. Zoals deze maand voor het eerst is voorgekomen. Zoals deze maand meermaals is voorgekomen. Ook nu: genoeg. Voor het eerst in mijn tienerleven lijkt er mij even genoeg gezegd over politiek.

Het is vandaag zomer, de zon schijnt, zwoele terrasavonden kondigen zich aan, het is slechts wachten op een uitnodiging, ook van mezelf, terwijl verdrink ik mij in boeken … Het is zo’n moment om mijn blog te vullen met melancholische zinnen vol verlangen naar …

Al drie weken lang zit ik in een never ending trip. Ik zet mijn hoofd klem tussen trapleuningen, loop een week in een marcelleke en draag sjorkoord-bretellen op een speelplein dat ik nog niet kende, ik huppel door het leven en zing van ‘speelplein Popu-liereh!’, ik heb nachtelijke gesprekken over T & I tot de zon en mijn glimlach weer opkomen, ik schrijf hartjesballonnen met complimenten, ik ontdek El Crème Glace Ques en word spontaan verliefd, ik reis naar Brussel voor een avondje Harry Potter met ‘Londerzeel’, ik voel me zelfzekerder dan ooit in de afgelopen vijf jaar, ik kweek ambities in de speelpleinwereld, ik dans fout, ik zing vals, ik lach … écht. en bovenal … I’m so deeply in love. Ik ben zo dol op elk van mijn Vrienden, dat het wel met die woorden gezegd dient.

Het is vandaag zomer, de zon schijnt, zwoele terrasavonden kondigen zich aan, het is slechts wachten op een uitnodiging, ook van mezelf, terwijl verdrink ik mij in boeken … Het is zo’n moment om mijn blog te vullen met melancholische zinnen vol verlangen naar … Méér.

 zomer 2009 - klapkrokkentripje





Jasonrijm.

12 04 2009
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
Jason I

De woordenvloed
van woorden
Die ik eerder al eens hoorde
maar dan uit mijn (eigen) mond

Ze raakt me niet
ze dempt me niet
ze is geen bron voor mijn verdriet

De woordenvloed
van woorden
Weet dat het niet stoorde
omdat ik het verstond

Ook ik braakte ooit woorden
woord na woord
keer op keer.
toen vond ik geen woorden meer

Jouw woordenvloed
heeft mijn woordenbloed
weer doen koken

Bedankt
en ik hou van jongens die roken …

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

Jason II

Zijn halfnaakte
zongebruinde lijf
dat geurloos over mijn scherm glijdt

De volle honderd
kilometer
is alles wat ons scheidt

Slechts te overwinnen
met een slecht
gestolen webcambeeld

Het wijnglas
dat zacht
zijn warme lippen streelt

En dan zijn speelse blikken
die me in zijn wijn doen verslikken

Even
heel heel even
Zou ik echt alles geven
om die sigaret te zijn …

Dat ik vlam vatte aan zijn lippen.~

~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~

(Geschreven in de herfst van 2007)





Poëziexperiment

4 04 2009

Ik voel mij moe
ter dege geblust
mijn leven de lust
ontnomen.

Hard pompt het hart
het bloed door me heen
de eenzaamheid alleen
gekomen.








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.