Allons enfants …

21 07 2008

Allons enfants de la Patrie. Le jour de gloire est arrivé.

 

Eén jaar is het inmiddels geleden dat Yves Leterme uit volle borst de nieuwsuitzending van de RTBF (en later ook alle andere Belgische media) vol kweelde. Of het nu een wel erg flauwe mop betrof of een pure volksverwarring (Het Vlaamsche Volk, het Belgische, het Waalsche, het Fransche, die van den Duts – een mens zou van minder in de war raken als je net op dat volksgebeuren focust in je veel te uitgebreide gamma aan verkiezingsbeloften (de CD&V is in tegenstelling tot de sp.a geen partij die duidelijk omlijnde verkiezingsstandpunten kiest, maar alles wat te beloven valt, belooft om binnen die beloftes op bepaalde aspecten te focussen, zo lijkt het wel) Yves Letermes stem werd op 21 juli 2007 eindelijk in heel het land gehoord tijdens het zingen van een waar Volkslied. Dat hij gehoord werd maakte dat de Vlaamse droom – “het wordt tijd dat die Walen eens naar ons luistere” – alsnog uitkwam, zij het dan misschien niet geheel binnen het verwachte kader.

 

Ach, ik wijk af en al zijn we in de Belgische politiek inmiddels wat uitstel gewoon, dat mag mij nog niet in de verleiding brengen de inhoud van dit bericht te blijven uitstellen. Yves Leterme zong dus. En wat! Een waar Volkslied. En het Volk heeft hem gehoord.

 

“Laten we gaan, kinderen van het Vaderland” moet menig Vlaamsch en Franstalig politicus begrepen hebben uit de woorden van de toen nog toekomstige premier. “Laten we gaan. De dag van de glorie is aangebroken. Voor ons: les enfants de la patrie” En toen zijn ze ervoor gegaan. Als ware Kinderen van het Vaderland. Op een niet te vermijden kinderlijke manier. Pourquoi faire comme des grands, quand on peut aussi se disputer comme des enfants? Des enfants de la patrie. Die sinds die beruchte 21 juli 2007 wachten op hun jour de gloire. Die maar lijkt uit te blijven.

 

Of niet? Want al spreken Vlaamse peilingen dat inmiddels tegen, aan Vlaamse kant leken de partijen die het status quo in stand hield lange tijd hun glorie uit de stilstand te halen. “We geven geen duimbreed toe”, klinkt het dan. Vertaling: “We gaan geen duimbreed vooruit”.

 

Gelukkig vertelde Servais Verherstraeten (CD&V) me eergisteren via het één-Journaal dat er meer glorie is behaald door het kartel dan het status quo alleen. Het Vlaamsche kartel oogst namelijk al een hele tijd glorie op de wanprofeten van het Volk (en dat zijn voorlopig nog mijn woorden). In zijn eigen woorden klinkt dat zo: “Men zegt al 13 maanden hardop dat het kartel op uiteenvallen staat. Wel, het bestaat toch nog altijd?!” Mag ik bij deze een Groot Applaus vragen voor Servais en het kartel, want eindelijk lijkt de aap uit de mouw te komen (of de konijn uit zijn pijp, de drieënvijftigste troonopvolger uit de baarmoeder of de tsjeef uit de schoorsteen): al 13 maanden lang leggen CD&V en N-VA zich er onvoorwaardelijk op toe het kartel voor een splitsing te behoeden. Zo onvoorwaardelijk dat wanneer een eenvoudig lid – bijvoorbeeld ene Yves Leterme – probeert om andere prioriteiten naar voor te schuiven (zoals het creëren van een rationele staatshervorming of een onderbouwde dialoog) dat eenvoudige lid dan genadeloos wordt afgestraft door enkele andere eenvoudige leden van beide partijen.

 

Het is duidelijk, Servais, dat het kartel alle lof verdient voor het behouden van zichzelf. Alle lof. En verder geen. Voorlopig is het zelfbehoud haar grootste, maar ook enige verwezenlijking en ik hoop dan ook van harte dat de behoeders van het kartel zich er goed bij blijven voelen. Ik, als simpele partijloze jongen, durf mij echter afvragen of het niet beter zou zijn voor biede partijen en voor ons land, moesten ze de noodlottige worstelgreep waarin ze elkaar momenteel gevangen houden, lossen. Was ik een CD&V-stemmer of een aanhanger van de N-VA, ik zou – maar wie ben ik, beste Servais? – teleurgesteld zijn te moeten vaststellen dat de partij waarin ik geloof de verwezenlijking van haar politiek programma minder belangrijk acht dan het behoud van een schijnhuwelijk met partnergeweld. Natuurlijk ben ik mij ervan bewust dat zonder de N-VA de tweederdemeerderheid onder vuur komt te liggen, maar er zou tegelijkertijd ook eindelijk plaats zijn voor de rationele dialoog die tot nu toe wat achterwege is gebleven. Liever een gekunstelde twee-derde-meerderheid die tot een rationele staatshervorming raakt en daar effectief over kan stemmen. Dan een twee-derde-meerderheid die klaarzit om te stemmen over voorstellen die nooit door de onderhandelingsmolen raken doordat bepaalde partijen het debat blijven demagogiseren.

 

De N-VA heeft les grands gedwongen zich te gedragen comme des enfants (des patries differement). Verwijt ik haar dat? Neen, want het valt haar volgens mij niet te verwijten. De N-VA is een partij die haar eigen doelen nastreeft, met name de onafhankelijkheidsverklaring van de republiek Vlaanderen. Het zij zo. Ook als de partij beweert deze onderhandelingen te voeren volgens het samen met de CD&V gevormde programma (waarin van onafhankelijkheid geen sprake is) geeft mij dat echter de indruk dat het met zo’n partij aan tafel wel erg moeilijk onderhandelen is over een staatshervorming die optimaal bestuur binnen een Belgische context nastreeft. Terwijl alle partijen immers op zoek zijn naar een ideale oplossing heeft de N-VA net baat bij de minst ideale oplossing (waarvan de eerste ronde van de staatshervorming een perfect voorbeeld is: het verkeersbeleid wordt een nieuwe bevoegdheid verspreid over twee bevoegdheidsniveaus, waarvan een of andere Vlaams-Nationalistische partij binnen een jaar of vijf kan beweren dat zoiets toch echt nefast is om Goed Bestuur te garanderen. En gelijk zal ze nog hebben ook.).

 

Ik. Ik als eenvoudige partijloze jongen, wiens afkeer voor Leterme van een jaar geleden veranderd is in medelijden en wiens laagdunken voor minister Vervotte is veranderd in een grote bewondering, ik, ik hoop gewoon maar dat we op de volgende nationale feestdag weten waar we aantoe zijn.

 

Mogen les enfants de la patrie dan hun ware glorie oogsten. Mogen ze groot worden. En snel.

 

Vive la Belgique.

Vive l’Europe.

Et

Vive la Flandre.

 

Ik zeg niet langer dat ik een oplossing heb (al blijf ik mijn eigen idee van een Franstalige premier, de overheveling van vier faciliteitengemeenten in de rand rond Brussel, de uitdoving van alle andere faciliteitengemeenten van het land, de afschaffing van de Senaat en van het Waalse dubbelparlement, de splitsing van de kieskring BHV (gevolgd door de creatie van de kieskring Leuven-Halle-Vilvoorde) en een verdere dialoog met advies van een buitenlandse vergadering met leden uit verschillende landen met een federaal (of confederaal) bestuurssysteem waarin noch het Nederlands noch het Frans voertalen zijn).

Ik zeg niet langer dat Yves Leterme het niet aankan. (Hij heeft zijn fouten gemaakt, maar volgens mij waren dat er meer voor de verkiezingen dan erna.)

Ik zeg niet langer dat Milquet geweldig en onschuldig is. (Elle a fait des fautes.)

 

Maar ik zeg wel dat ik geloof dat of de samenstelling van de onderhandelende partijen, of de mentaliteit van de onderhandelaars moet veranderen voor we tot een goede oplossing zullen komen.

 

Allons les grands de la patrie …





Het Heilige Drievuldigheidscollege (1)

26 06 2008

De zomer van 2002 was er één van verhuizen. Die van mijn tweede woonst in Kessel-Lo naar Bornem en die van de lagere naar de middelbare school. Nu, zes jaar later, verhuis ik weer. Van Kessel-Lo en Bornem naar Gent en van het Heilige Drievuldigheidscollege naar de UGent. Ik ruil mijn Oude Markt voor een-stad-die-onmogelijk-op-eenzelfde-manier-te-reduceren-is-tot-één-plaats, mijn twee huizen voor een thuis.

Toch is mijn afscheid van het HDC niet zo vrolijk verlopen als ik had gehoopt. Vooral mijn laatste maand was eerder pijnlijk dan vreugdevol. Niet enkel de goede herinneringen aan die tsjevenschool zullen me bijblijven, ook de slechte staan - voorlopig nog glashelder - in mijn geheugen gegrift als pijnlijke lidtekens op mijn naïeve levensdroom.

Het HDC heeft me veel bijgebracht. Ik meen te mogen zeggen: ik haar ook. 11 puntjes lang is het lijstje dat hier naast me ligt. Het lijstje van mogelijke blogberichten die ik nog aan mijn Jozefietenschool had willen wijden. Sommige verhalen zijn wat gedateerd, maar nooit online geraakt wegens drukte, anderen zijn nog zo vers dat ik misschien beter wacht tot mijn eigen gemoederen helemaal bekoeld zijn alvorens de verhalen met de wereld te delen.

Ach. Ik heb mijn diploma. Ik ben er weg. Ergens mis ik ze al. Ze, mijn klasgenoten, de mensen die samen met mij bouwden aan schoolkranten en dromen, ze … Niet het, niet de. Het college, de directie, het gedemotiveer, de eeuwige muur van ondankbaarheid. Neen, dat niet.
Ach. Ik heb zelfs meer dan mijn diploma. Ik heb gratis en voor niets een ICT-diploma gekregen, net als alle andere sukkeltjes die nooit (!) één les Informatica gehad hebben. Beste school, beste ministerie, ik dank u alvast voor dat extra diploma.

En zo komt het eerste van misschien echt wel elf berichten op z’n eind. M’n vakantie begint. Een zomer van speelplein, stiekeme uitstapjes naar zee en eindeloze rust. Althans, dat is wat ik hoop …

Prettige vakantie!

Jowan
die ondanks alles best dankbaar is …





uit de oude doos: de eerste keer gehomohaat

24 05 2008

Zo nu en dan doorblader ik de chaotische mappen van mijn laptop, mijn USB, mijn mp3-speler of mijn desktop. Op zoek naar nostalgie, naar bruikbare artikels voor de schoolkrant of gewoon naar niets komt een mens erg veel tegen. Vandaag botste ik toevallig op een door mij geschreven artikel uit de lente van 2007 dat in mijn hoofd al tot vergetelheid aan het vergaan was. Toen ik het schreef, herinner ik me nu, voelde ik me verscheurd. De laatste alinea schreef ik meer om mezelf op te monteren dan uit oprecht optimisme. Zelf vind ik het frappant hoe ik spreek over ‘goeiedag’ meer dan een jaar voor je met dat woord €25.000 kon winnen en over ‘tolerantie’ voor de Tolero was uitgevonden. (al is dat misschien ook weer niet zo frappant)

 

Mijn eerste keer …

gehomohaat op straat

 

Er zijn van die dingen in het leven waarvan je zo hard hoopt dat ze helemaal niet gebeuren of op z’n minst toch jou niet overkomen, dat je uiteindelijk gaat geloven dat ze in jouw directe omgeving niet bestaan. Mijn directe omgeving heet Leuven. Ik ben er geboren en opgegroeid, ik ga er naar school, ik fuif er, ik zuip er, ik feest er. Ik heb er nog net geen seks in het stadspark, maar verder doe ik er al-les. Leuven is mijn leven.

 

Nooit heb ik gedacht dat er in Leuven iets bestond als vijandigheid. Oh ja, de verzuring is er natuurlijk wel voelbaar. De vergrijsde bevolking bezet er gratis de bussen op het spitsuur en de studenten ledigen er hun blaas in brievenbussen en beide bevolkingsgroepen wekken daarmee frustratie, maar geweldadige, nuchtere vijandigheid? Neen, als u me voor 30 maart 2007 had gezegd dat het in Leuven bestond; duwen, schoppen, dreigen en slaan, dan had ik u vierkant uitgelachen. Ik hield van mijn zoete Leuven en haar vriendelijke inwoners, van mijn liefdevolle stad en haar lekkere studenten. Ik knikte als een gek ‘goeiedag’ naar iedereen wanneer ik met mijn fiets of te voet de stad doorkruiste. Nooit had iemand mij geslagen.

 

Meer specifiek had ik ook niet gedacht dat er in mijn progressieve stadje iets kon voorkomen als homohaat. Onbegrip? Ok. Maar hààt? Zuivere, koele, geweldadige haat? In alle naïviteit berustte ik in de overtuiging dat zoiets onmogelijk was. In Antwerpen en Brussel tot daaraan toe, maar in Leuven moet je elkaar toch al serieus staan opvrijen om een reactie op te wekken, dacht ik.

 

Ik werd heel erg letterlijk wakkergeschud uit mijn zoete droom toen ik na de Foute Fuif van 30 maart in de Lido naast de bankautomaat op het Ladeuzeplein wat stond na te praten met Lander en er uit een passerend busje een jongeman kwam gestapt om geld af te halen. Op zich was er niets aan de hand, ware het niet dat de kerel zich zonder enige duidelijk aanleiding toen hij bijna weer in zijn busje zat, omdraaide en begon te schelden. Zijn Nederlands kon nog wat bijgeschaafd worden, want meer dan “pédés” viel er niet te verstaan, maar zijn boodschap was duidelijk. Zonder hem veel aandacht te schenken, gingen wij verder met ons gesprek alsof er niets aan de hand was, maar hij had blijkbaar onvoldoende voldoening gehaald uit zijn brabbelscheldtaaltje. “Is er een probleem?” snauwde hij, deze keer volledig verstaanbaar – een wel heel snelle snelcursus Nederlands als je het mij vraagt. Het juiste antwoord zou geweest zijn dat wij die vraag beter aan hem konden stellen, maar ik hield het op een neutrale “neen, er is geen probleem”, waarop hij spontaan begon te roepen dat we dan maar moesten doorlopen. “Loop door! Kom! Loop door!” Toen we daar, nogal overdonderd door de situatie, niet meteen aanstalten toe maakten, besloot hij ons wat te helpen en duwde hij me weg. Een blik van Lander volstond om duidelijk te maken dat het moment om te gaan gekomen was, dus stapten we rustig weg. Onze belager leek niet overtuigd van onze snelheid en vond het nodig ons na te trappen en daarbij mijn achterwerk, waarvan hij misschien brabbelend had gezegd het als uitgang in plaats van als ingang te gebruiken, te raken. Daarna verdween hij met zijn busje.

 

Harder dan de hand tegen mijn schouder, de voet tegen mijn kont, kwam de slag in mijn onderbuik. Een slag die niet eens letterlijk werd gegeven, maar desalniettemin pijn deed. Wanhoop, angst, droefenis en haat mengden zich in mijn maag tot een onverteerbaar sap van teleurstelling. Op minder dan twee minuten tijd was mijn prachtige stad niets meer dan een verloederd plaatsje van ellende geworden.

 

Het kostte me enkele seconden om de zwaarste teleurstelling weg te slikken en een nacht om mijn woede te vervangen door het besef dat het bekijken van de nummerplaat nuttiger geweest zou zijn dan het treuren. Ach, dit ene voorval heeft me pijn gedaan, maar ik zal ‘goeiedag’ blijven knikken naar de mensen. Ik blijf in tolerantie geloven. Leuven blijft mijn Leuven. De stad waar ik ben geboren en opgegroeid, waar ik feest en zuip. Een stad vol lekkere, brievenbuspissende studenten en vriendelijke, gratisbusreizende ouderen. Maar even … deed het pijn.

 

(Johanoniem)

 





Gent of Leuven

20 05 2008

Al meer dan twee jaar sluipt de vraag waar en wat ik wil studeren door mijn hoofd. Het laatste jaar is er één van intens en veelvuldig twijfelen geweest, waarin ik zelf de laatste maanden slechts voor de schijn luidop verkondigde dat ik absoluut zeker was van mijn keuze om rechten aan de KULeuven te gaan studeren. Innerlijk bleef ik twijfelen, zowel aan rechten als aan de keuze van mijn stad.
Over mijn richting weiger ik nog langer na te denken. Ik geloof dat twijfel op dat vlak me enkel verder van wat ik nu echt wil volgen zal leiden en dat de semi-gok voor rechten nu ook weer niet zó fout kan zijn. Hoewel ik deze maand al actief op zoek ben gegaan naar een kot in Leuven - na erg confronterende gesprekken met de papa over centjes en co-ouderschap - ben ik over mijn studentenstad nu wél weer aan het twijfelen geslagen. Mijn twijfels: wie zijn ze? Wat doen ze? En vooral: waarom?

Qua opleidingsniveau liggen Gent en Leuven - zo beweren vertegenwoordigers van beide universiteiten, ook over elkaar - vrij dicht bij elkaar. Het rapport van de VLIR uit 2006 opteert duidelijk voor Gent, maar wijst Leuven niet helemaal af én er is het fel betwiste argumenten van de pleitwedstrijden. Leuvenaars houden vast aan de bewering dat zij en zij alleen over het algemeen beter scoren op pleitwedstrijden dan welke andere Vlaamse universiteit ook, terwijl de Gentenaars daartegen inbrengen dat die bewering tot een afgesloten verleden behoort, waarbij zij zelf de vroegere rol van de Leuvenaars in het heden vervullen. Nu, hoe het ook zij: ik concludeer dat het opleidingsniveau - hoewel dat in feite de belangrijkste factor hoort te zijn - geen bepalende rol hoeft te spelen in mijn studiekeuze. Als er verschillen zijn, zijn ze klein.
Ook het al of niet op kot mogen, is onbelangrijk bij het maken van mijn keuze, want voor beide steden heb ik het ouderlijke fiat, al is dat voor Leuven dan iets moeizamer verkregen dan verwacht. Blijft over: de keuze van de stad, de sfeer en de universiteit.

 

UGent

Gent heeft twee schijnbare nadelen: het lijkt me groter dan ik wil. Na jarenlang halftijds op bijna 70 km van waar mijn leven zich in werkelijkheid afspeelde te hebben gewoond, lijk ik nu te verlangen naar een extreme ommekeer: hoe kleiner de straal van de cirkel waarin mijn werkelijkheid zich rondom mij kan ontplooien, hoe idealer het me toeschijnt. Dichter bij aula, vrienden en plezier dan in de Vlamingenstraat in Leuven zal ik in Gent niets vinden. Ten tweede beangstigt het onbekende me. Dat beangstigende vloeit voort uit het onbekende, het nieuwe van Gent voor mij en net daarin schuilen ook voordelen. Gent streelt een betoverende sfeer uit, waarin ik me - ondanks de angst - erg graag wil laten onderdompelen. Er schuilt een belofte in het Gentse … 

 

KULeuven

Leuven heeft het grote minpunt dat het mij bekend is. Ik ben er geboren en - ondanks het co-ouderschap - ben ik er ook opgegroeid. Hoewel ik Leuven nu nog spannend kan vinden, is er een kans dat ik dat binnen vijf jaar niet meer zal doen. Het voordeel van mijn geboortestad is evenwel net dat ze klein is. Een ander voordeel van Leuven is de bekendheid. Het mag dan nog zo spannend lijken in Gent te gaan studeren, het heeft ook iets beangstigends om in zo’n onbekende afgrond te moeten duiken. Zeker wanneer dat duiken gebeurt in het volle besef dat het in feite onnodig is en zelfs licht marginaal. De Leuvenaars die in Gent gaan studeren, blijken zeldzaam. Ook mijn huidige vrienden maken het moeilijk om in Gent te gaan studeren. Toen ik voor het eerst - in 2005 - verkondigde dat ik naar Gent wilde, was dat in een periode waarin ik me niet erg nauw verbonden voelde met mijn Leuvense ‘vrienden’. Nu daarentegen ben ik me meer dan aan wie ook aan hen gaan hechten. Mijn hoofdredactie en mijn klasgenoten zijn het centrum van mijn vriendenkring geworden en hoewel ik rationeel erg goed besef dat het contact met hen toch zal verwateren, blijft dat emotioneel een moeilijke stap. Die moeilijkheid wordt nog vergroot door het feit dat we met velen rechten zouden gaan studeren in Leuven. Met alle burgerlijke ingenieurs en dokters van mijn klas zou het contact automatisch - sowieso - verwateren, maar bij de juristen wordt dat, als ik voor Gent kies, een erg bewuste keuze van mezelf. Ik zal als agerende factor met hen breken en dàt maakt het moeilijk. Dat met VDS - de Vlaamse Dienst Speelpleinwerk, ook wel de verliefdheid waar ik in februari over sprak - een groot onderdeel van mijn vrije tijd in Vlaams-Brabant verankerd is, zal drie maanden geleden wel voor een groot stuk bepaald hebben dat ik in Leuven wilde blijven. Nu komt het nog steeds als een groot minpunt over - gezien mijn verlangen naar centralisatie van mijn leven - om als mogelijke student in Gent te moeten pendelen naar mijn belangrijkste hobby.

Als ik het zo bekijk, lijk ik voor Gent te opteren. Zo eenvoudig ligt het echter niet. Niet alleen zou ik mijn hele keuze dan opnieuw moeten beargumenteren bij mijn ouders, ik zou ook zelf niet helemaal zeker zijn van mijn keuze. Ik ben immers al eens 200% zeker geweest van Gent en zelfs toen heb ik me uiteindelijk bedacht en Leuven tot 89% toegezegd. Nu een twééde keer terugkomen op mijn keuze, nu op Leuven, maakt dat naast voor mijn ouders, ook voor mezelf de kracht van mijn overtuiging afneemt. Niet onbelangrijk is de haast waarmee ik wil dat mijn keuze gemaakt wordt. Ik ben sowieso niet enthousiast om een kot te zoeken - ik wil het graag al gevonden hebben - maar zolang ik niet (meer) weet in welke stad ik zoeken moet, zal ik helemaal niets vinden. En ik wil het kot van mijn dromen. Oja, dat wel.

Ach, die keuzes ook. Het zou wel eens de meest fundamentele van mijn leven kunnen zijn, maar tegelijkertijd is het de banaalste. Waar ik nu voor kies, dat is: mijn volgend lief, mijn beste vrienden, maten voor het leven, bepaalde nuanceringen van mijn huidige dromen, nieuwe dromen, een bodem voor toekomstplannen, een grond waarop ik mijn leven wil bouwen … Dat zijn allemaal heel erg essentiële levensonderdelen die volledig of gedeeltelijk van mijn stadskeuze afhangen, maar waarop ik desondanks geen enkele invloed zal hebben. Ik kies voor iets dat ik pas zal kennen als ik het heb gehad en ik laat iets liggen, waarvan ik de ware inhoud nooit kan doorgronden. Hier ligt de kiem van mijn eerste grote levensvraag waarvoor ik zelf verantwoordelijk ben: wat als ik voor die andere stad gekozen had?

 Misschien moest ik maar eens durven kiezen.

(En erg stil echoot in mijn hoofd een stemmetje: “Deze keuze is van levensbelang, had je vader een dertigtal jaar geleden niet voor Leuven gekozen, dan bestond je niet eens!”)





orgaandonatieregistratie

17 05 2008

13 mei 2008, de eerste werkdag na mijn achttiende verjaardag stond al maanden in mijn agenda genoteerd als de dag waarop ik naar de dienst bevolking van de stad Leuven zou stappen om er mijn organen aan te bieden. Een gepast en absoluut niet grappig mopje à la ”waar mag ik ze leggen?” moest ik nog verzinnen, maar dat ik zou gaan, stond buiten kijf.

Waarom ik mezelf per se als orgaandonor wilde gaan registreren? De Belgische wetgeving stelt dat iederéén donor is, tenzij uitdrukkelijk is verklaard dat hij/zij met organen en al de eeuwigheid tegemoet wil treden. Zelfs familieprotest is sinds februari 2007 niet langer een wettelijke reden om een donor af te schrijven. Toch houden dokters - zo hoorde ik op een presentatie, die ik toevalligerwijs op diezelfde 13de mei op school kreeg - nog steeds rekening met de wens van de naaste familie. Om te vermijden dat mijn ouders moest ik komen te overlijden alsnog afzien van mijn ook thuis uitdrukkelijk geformuleerde wil om als orgaandonor te mogen dienen, wilde ik me dus toch maar laten registreren. Niet dat ik mijn ouders niet vertrouw. Het is eerder omdat ik mezelf evenmin in staat acht op een moment van diepe rouw rationeel uit te maken wat ik met de organen van een dierbare overledene wil aanvangen. Liever heb ik dat die overledene dat bij leven reeds heeft bekend gemaakt.

Beter dan de vraag ‘waarom’ lijkt mij de vraag ‘waarom niet?’. Wekelijks overlijden er mensen nodeloos in dit land omdat ze na maanden verkommeren op een wachtlijst niet aan een nieuw hart, een nieuwe lever, nieuwe longen … zijn geraakt, terwijl ze daar zo’n nood aan hadden. Willen wij ook zelf niet geholpen worden wanneer we in medische nood zijn?

Naast mijn organen, die ik nog tot aan mijn dood mag houden, wil ik ook bloed, bloedplasma en bloedplaatjes geven; net als ruggenmerg. En wie weet, ook sperma. In dat lijstje lag mijn enige grote verlangen om achttien te worden. Moge ik het snel kunnen afwerken.

Ik ben er hoe langer hoe meer van overtuigd dat ik met mezelf niet zou kunnen samenleven en dat het dus een gunst is dat de wereldbevolking van mij verschilt, maar op vlak van donatie, wens ik alvast dat de wereld (nog) iets meer op mij zou gaan lijken.





De stoel van Stanislavski

15 03 2008

 

Tickets & reservatie (wat dus eigenlijk hetzelfde is ^^) via MIJ! (0474 en-de-rest-moet-je-maar-eens-vragen); (johanlievens @ gmail . com!)





geen titel

9 02 2008

De voor begin januari of zelfs eind december geplande beschouwingen van 2007 en 2008 heb ik mezelf helaas ontzegd door achtereenvolgens door mijn laatste kerstexamenperiode ever te ploeteren, in Gent uit te gaan, Kerstmis in Parijs te vieren en een heerlijke laatste week van het jaar door te brengen in het immer prachtige Dworp. Die week staat in mijn herinneringen gegraveerd als het kantelmoment bij uitstek. Het is mijn overgang van de ene periode in de andere. Mijn afsluiter van anderhalf jaar gesnotter, mijn begin van dit gevoel van herborenheid. Bij deze wou ik die week ook even in het internet bijtelen. Toen was de week te magisch om erna nog tijd te vinden voor een dwaze beschouwing van dat verdomde jaar dat ineens, alsnog, zo goed leek af te lopen. Nu kan ik enkel ontdekken dat de invloed van die week nog veel groter was dan ik toen zelfs maar had durven wensen. Die week heeft mij mijn verliefdheid geschonken.

Ik heb voornemens voor 2008. Maar het zijn clichés. Ik vermoed dat het naast het ontstaan van mijn verliefdheid, waarvan ik me die week weliswaar nog niet bewust was, ook de onoriginaliteit van mijn voornemens me ervan heeft weerhouden beschouwend vooruit en terug te kijken.

Ik wil voor ik dit vrij nutteloze bericht afsluit nog één ding kwijt voor het komende jaar. Aan de twee dames uit mijn omgeving (waarvan de ene ooit zei dat ze verliefd op me zou worden als ze een jongen was, en waarvan de andere me ooit nog bijzonder onleuk vond) die dit jaar het leven zullen schenken aan hun eerste telg: ik wil peter worden … euhm … ik ben zo hypertrots!

Oh, en dan heb ik nog - louter als noot voor mezelf voor moest ik dit ooit nog eens teruglezen en het vergeten zijn - vandaag spontaan twee spelen bedacht die ik deze zomer graag met mijn speelpleinkindertjes zou willen spelen. De paraplurovering van Tobackgrad en De man van Jehàn (gebaseerd op het werkelijk bestaande tv-programma De marginaal van Phaedra).

En als ik dan toch inhoudsloos aan het wezen ben, tegen al mijn blogprincipes in, dan wil ik meteen ook nog wel kort melden dat:
- ik volgend jaar rechten ga studeren en daar toch 99% zeker van ben
- ik erg twijfel tussen de KULeuven (89%) en de UGent (ooit nog mijn absolute favoriet, nu nog goed voor 11%)
- ik mezelf al een tijdje niet langer wens te benoemen als lid van de sp.a (of van animo) en wel omdat de sp.a met het inhoudelijk overboord gooien van de ‘a’ (die wel degelijk voor ‘anders’ hoorde te staan) ook mij overboord heeft gegooid
- ik nog steeds gelukkig ben, hoewel mijn stijgende humeurlijn af en toe een dalletje kent
- ik veel te veel werk voor school heb
- ik meer uitkijk naar de paasvakantie dan ik ooit eerder naar iets heb uitgekeken (voor zover ik mij herinner)





dat heet dan gelukkig zijn

2 02 2008

“Mijn kerstkaartjes liggen onbeschreven achter de nog onbeschilderde kastdeur van de onbevloerde kamer waarin ik één week op twee in mijn vaak onopgemaakte bed kruip. Wordt ook mijn geluk vooraf gegaan door een on-? Absoluut niet.

Ik ben gelukkig en met momenten niet eens een klein beetje. Tot op heden zijn mijn redenen tot geluk helaas onvermeld gebleven. Vaak ben ik aan een bericht begonnen om het halfweg of soms zelfs net voor het einde toch maar af te zijn van publicatie. Dat maakt dat er nu zoveel te vertellen valt. Zoveel dat ik bang ben in een eenzijdige opsomming te vervallen als ik het hier zomaar achter elkaar neerpoot.

Allereerst, zowel chronologisch als - naar ik vermoed - invloedmatig op nummer 1, heb ik in het najaar van 2007 de hulp gevonden en gezocht die de negatieve spiraal waar ik al in 2006 in belandde kon doorbreken. De periode waarin ik niet in staat was eerlijk te zeggen dat ik gelukkig was, heeft een stuk langer aangesleept dan ik telkens weer voor mezelf voorspelde. Het geeft me een wauw-gevoel te weten dat ik de spiraal heb kunnen doorbreken, al kan ik tot op heden geen oprechte cliché uitspraken doen als “ik ben er sterker uitgekomen”. Zo’n uitspraak zou de periode nut geven. Ze was niet nuttig.

Een andere niet te negeren pluspunt, chronologisch op twee, is de schoolkrant. Mijn school is zes jaar schoolkrantloos voor de dag gekomen tot begin dit schooljaar in de leerlingenraad werd geopperd er opnieuw mee van start te gaan. Zelf heb ik altijd een schoolkrant gewild - het was een soort droom - en dus heb ik de boot niet aan me laten voorbijgaan. Als hoofdredacteur kijk ik met trots terug op het eerste nummer van Kaffee ID, een naam waar veel denk- en discussiewerk in gestoken is.

Dan zijn er, chronologisch op 3, maar eigenlijk niet in een volgorde te plaatsen de familiefeiten. Ik ben nog nooit eerder, zelfs niet op het huwelijk van mijn vader en stiefmoeder, zo in vrede geweest met mijn nieuw-samengestelde familie. Ze stemt me gelukkig zoals families vooral in sprookjes en op tv gelukkig kunnen stemmen.”

Dat alles schreef ik al een tijd geleden, maar mijn huidige gevoel is gelijkwaardig. Met uitzondering van eentje dat ik toch tegen de elfde dag van het nieuwe jaar geschreven kreeg, liggen al mijn kerstkaartjes nog waar ze toen lagen en ik ben nog steeds bijzonder gelukkig. Invloedmatig is er sinds het schrijven van bovenstaand stukje tekst echter wel ‘t een en ‘t ander verschoven.

Ik ben verliefd. Niet op een jongen en al helemaal niet op een meisje, maar wel smoorverliefd. Ik moet nog maar kijken naar de data in mijn agenda die ik ervoor vrij laat, moet nog maar op het idee komen even te bellen of te mailen en mijn hart slaat vijf slagen over, mijn handen worden spontaan klam en mijn humeurmeter schiet de hoogte in. Werkelijke ontmoetingen zijn er nog niet geweest, maar mijn zenuwen prikkelen nu al bij de gedachte dat ze zullen komen. Ik ben verliefd. Smoor-smoor-verliefd. In love. And not with a human being - ik verkleed me nog elke avond in een slapende prins in de hoop wakker gekust te worden - but with an organisation …





studiekeuze

8 01 2008

Hij wil leiding geven
Hij wil mensen helpen

Hij is dol op politiek
Hij is dol op kinderen
Hij is dol op talen

Hij is niet zo dol op wiskunde, maar is er desalniettemin niet slecht in
Hij is niet zo dol op blind vanbuiten blokken, maar is er niet onbekwaam in
Hij is niet zo dol op taalgeschiedenis

Hij leest graag
Hij spreekt graag
Hij schrijft graag

Hij wil een studie die uitzicht geeft op werk in de politiek
Hij wil een studie die uitzicht geeft op werk in het onderwijs
Hij wil een studie die uitzicht geeft op werk in de socio-culturele sector

Hij is ik.
Ik weet niet wat hij moet studeren.

rechten // economische wetenschappen // toegepaste economische wetenschappen // politieke wetenschappen // taal- en letterkunde // pedagogische wetenschappen // criminologie // … (volgorde van de dag)





Groot Bericht met kleine inhoud

19 12 2007

Het is bijna Kerstmis en dus plundert de ene helft van de bevolking achtereenvolgens de eigen bankrekening en elke mooi versierde winkel om er achtereenvolgens decoratie en cadeautjes voor onder het (liefst plastieken, met een spuitbus vol dennengeur sparrengeur echt lijkende) opgesmukte pronkstuk van die decoratie te kopen. De andere helft van de bevolking sluit zich op in glazen huizen luxehotels om er de honger te trotseren of slaagt erin, vaak geholpen door een stevige geut alcohol, de wereld te aanschouwen met een gelukzalige blik in de ogen, eenvoudige woorden lallend als “geluk schuilt in de kleine dingen”. Ahja?

Er zijn een aantal kleine dingen in het leven waarvan ikzelf wel gelukkig worden kan zoals met vrouwtjes (bizar hoe een vrouw eens ze begint te krimpen een vrouwtje wordt , alsof het leven een normaalcurve is die begint en eindigt met het achtervoegsel -tje) van middelbare leeftijd tussen de rekken van het Kleefraam over de kleur van hun ogen en de kwaliteit van nylonkousen praten - of was het nou omgekeerd?

Dommage frommage, helaas pindakaas (laten we zo nu en dan onze tweetaligheid maar eens bovenhalen om de eenheid van het land te bewaren) zijn het net de kleine dingen die je het gemakkelijkst kwijtraakt. Huisstofmijten bijvoorbeeld. Onvindbaar lijken die beesten, behalve dan voor het-door-God-geschapen-mechanisme-dat-mijn-ogen-ervan-doet-tranen-en-mijn-neus-ervan-doet-dichtslibben, maar dat heeft in se bitter weinig met geluk te maken. Frolo, mijn kat wordt even makkelijk door dat godgeschapen mechanisme waargenomen en die is niet zo erg klein (en heeft in se meer met geluk te maken). Neen, er zijn andere kleine dingen die je kwijt kan raken of zelfs nooit hebt bezeten en dan bedoel ik niet eens de rubberen stopjes van de deurtjes van mijn vitrinekast (die ik kwijt ben geraakt) of de reserversleutel van mijn fiets (waarvan ik stellig beweer die nooit te hebben bezeten). Het gaat over grootsere kleine dingen. De telefoon nemen, een vriend/kennis/onbekende opbellen en vragen of hij/zij wil afspreken. Bijvoorbeeld.

No offence to the woman with the bad eyes out of the Sticking Window, maar geluk schuilt in se niet in de kleine dingen. Het is pas wanneer de Grote Verlangens vervuld zijn dat het kleine kan geapprecieerd worden. Ik staar de hele wereld mistroostig en kwaad aan als de Grote Dingen niet meezitten, terwijl ik poeslief over (kleine) nylonkousen begin als het (Grote) Geluk binnen handbereik is komen te liggen. Grote Dingen? Ja, denk maar aan het overwinnen van Statusangst (een boeiend fenomeen, des te boeiender beschreven door de minder boeiende Alain de Botton in het wel erg boeiende boek Statusangst), het vermogen te relativeren, de kunst van spontaniteit en de mogelijkheid de rationele teugels van het emotionele los te laten. Bijvoorbeeld.
[Dat ik net de Grote Dingen aanhaalde waarin ik zelf niet zo bijster uitblink, zal wel op zuiver toeval berusten.]

Ach. Grote Dingen, kleine dingen. Het is bijna nieuwjaar en dat is het moment bij uitstek om Grote Dingen in kleine dingen te vatten. Grote Karaktertrekken in kleine voornemens. Grote Wensen in kleine kaarten. Grote Illusies in kleine geesten. [Dat ik net die voorbeelden aanhaal waaraan ikzelf actief participeer(de), zal wel op zuiver toeval berusten. (Al is het een bijzonder boeiende ervaring zo'n zaken in de eigen webloguitspraken van één en twee jaar oud te ontdekken. Alleen daarvoor is een weblog bijhouden niet het meest zinloze tijdverdrijf op aarde. Je kan er heerlijk melancholisch - en ik mag dan een fan zijn van Kerstmis en clichésferen, ik ben tot op heden geen fan van melancholie - of zelfs snotterend op terugkijken eens je een stap in je leven verder bent ... of minder ver)]
Als ik besef dat er een aantal Grote Vriendschappen in mijn kleine leven Grote Zorg vragen en mijn kleine drukte moeilijk verdragen; als ik besef dat er bepaalde Grote Problemen kleine oplossingen kennen, als ik besef dat op Grote Vragen kleine antwoorden kunnen volstaan … dan zou ik me het Grote Voornemen kunnen maken deze kleine zaken niet te verzaken. Edoch, ik wil dit jaar geen voornemens maken. Geen Grote Woorden spreken over de kleine toekomst. Toch zeker nu nog niet.

En zo loopt elk blogbericht op zijn eind. Ik had het na mijn Grote Stilte in een klein bericht kunnen hebben over alle Grote Dingen in mijn kleine leven. Hoe ik me door mijn Grote Examens heb geslagen met mijn kleine motivatie. Hoe ik tegenover de Grote Politiek Polemiek van dit kleine land sta. Hoe ik met een Grote Aanpak mijn kleine problemen aan het oplossen ben. Hoe ik de Grote Ambitie een schoolkrant te maken als kleine hoofdredacteur wist waar te maken. …

Het leven is vol Grote en kleine dingen. Vol Voornemens en nylonkousen. Vol Jou en mij …