elke droom telt

17 05 2010

Zachtjes ruisen de tonen van muziek van vroeger door mijn oren. In mijn hoofd speelt zich een film af uit het verleden. Hoe ik, hoe een jongere ik, leefde. Verdwaasd is mijn geest, alsof ook het bloed dat door mijn aderen pulseert dat van vroeger is. Alsof het hele leven overdekt is met een flinterdun laagje goudgeel stof dat het verleden weerspiegelt in het verse zonlicht.

Ik ben een kind. Van de jaren negentig. Hoewel verwekt voor, ter wereld gekomen na de val van de Berlijnse muur. Opgegroeid in een wereld ver van oorlog en geweld, onbewust van een Eerste Golfoorlog of de implosie van Joegoeslavië. Een kind van vooruitgang. Een kind van het toenmalige heden en van de hedendaagse toekomst.
Zonder dat die gedachte ooit bewust bij mij is opgekomen, proefde mijn eerste decennium als een constante, eindeloze evolutie naar nog beter. Alsof ik geboren was op het hoogtepunt van de beschaving. Alsof die beschaving zich nog stapje per stapje verder naar omhoog trok. Alsof het moment waarop ik leefde, waarop wij leefden, het meest volmaakte moment uit de wereldgeschiedenis was. Een volmaakt moment dat weliswaar niet af was, maar toch bewoog naar het punt waarop de wereld wel af zou zijn.

Ik heb als kind nooit begrepen waarom de Bijbel uitmondt in de Apocalips. Ik begreep niet hoe iemand kon geloven dat de wereld zich bergafwaarts bewoog, terwijl alles er in mijn ogen op wees dat het goed ging, dat het goed was.

Pas later is mijn besef gekomen dat de wereldgeschiedenis geen constante lijn naar omhoog is. Wereld Oorlog II is het diepste punt dat ‘onze beschaving’ ooit bereikt heeft, een diepte die gemakkelijk op Den Duits afgeschoven zou kunnen worden is, maar die eigenlijk de diepte van onze eigen industriële denktrant is. Het aanslepende conflict in Israël-Palestina is evenmin een bewijs van vooruitgang. De ecologische toestand van onze planeet, het groeiende conflict tussen ‘westers’ en ‘Islam’, de frustratie binnen ons eigen België … Het zijn al die voorbeelden die tot me zijn beginnen door dringen. Tijdens het opgroeien. Tijdens het groter worden.

Het besef groeide.

Het besef zou me kunnen verlammen. Dat heeft het ook, althans mijn hoop. Ik meen dat het beseft bijzonder veel westerse, opgroeiende mensen verlamt – in de loop van het leven. De moderne versie van hoe men jong en communist hoort te zijn en minder jong en kapitalist, luidt volgens mij dat men jong en optimist mag zijn, maar dat men eens ouder beter een mantel van onverschilligheid aantrekt. Zolang men jong is, durft men dromen. Mag men het ook. Als we ouder worden – en dat ouder situeer ik niet rond 30, maar rond 18 jaar – dan lijkt het tijd om de ogen te openen, om realistisch te worden. En in onze westerse maatschappij betekent dat al gauw: tijd om de blik af te wenden van de problemen die we als onvatbaar beschouwen.

Ik geloof dat het goed is de ogen te openen – realistisch te worden. Met dromen alléén bouwt men geen betere wereld, noch een toekomst. Maar waarom die blik – eens de ogen geopend – dan afwenden? Waarom toelaten dat de onverschilligheid zich onder onze huid vastzet als nicotineresten onder rokersnagels? Waarom gaan geloven dat het toch geen verschil maakt, jouw ene droom? Waarop opgeven?

Als ik in onze maatschappij, in de druk van het alles en iedereen, van de grote stroom, van peer pressure en van iedereen hetzelfde; als ik daarin iets zou kunnen veranderen, dan was het dat we bij het ouder worden onze blik niet zouden afwenden van de wereld en haar problemen, maar hem er strak op gericht zouden houden; dat we dan af en toe bij het knipperen met onze ogen onze droom nog op onze oogleden gebrand zouden zien; dat we dan samen, met realistisch open blik, met de nazinderende dromen van ons allen, dat we zo iets zouden kunnen, iets zouden durven betekenen.

Want zoals dat is met stemmen, zo is dat ook met dromen: elke stem telt. Elke eerlijke aankoop, elke ecologische druppel, elk vonkje energie, elk beetje …

Elke droom … telt.





Verkiezingen 2010: Siegfried Bracke

14 05 2010

Siegfried – Ziegfried­ – Bracke is zachtjes, noch subtiel de politiek binnengedraald. Langs de grote poort van het N-VA fort schreed hij binnen en op zijn eerste persconferentie sloeg hij zijn eigen oud-collega’s meteen met statements om de oren. Statements die hij met een fonkeling van trots in de ogen de bijstelling “heel belangrijk” meegeeft.

Hoewel mijn visie op het partijpolitieke landschap van België al voor Brackes “moeilijkste beslissing uit mijn leven” enige instabiliteit vertoonde, is het niet zo ver beneven de waarheid te onderkennen dat Ziegfried mijn onbesliste stem enkel onbeslister heeft gemaakt. Zelfs ik ben uiteindelijk gaan overwegen wat een stem, wat mijn stem voor N-VA zou kunnen betekenen.

Als ik Bracke moet geloven … – en het valt me best moeilijk hem niet te geloven of me niet op z’n minst af te vragen wat hem drijft in zijn keuze(s) en zijn uitspraken, al was het maar omdat ik hem steeds heb beschouwd als een man van rode gedachten en ik nog steeds het rode (of zich dat nu mengt met groen, oranje, blauw of zelfs geel) nastreef in mijn politieke zoektocht – … als ik hem màg geloven, dan is een stem voor zijn partij een keuze voor de traditie van Hugo Schiltz. Bracke poogt daarmee op te werpen dat de N-VA het pad van dialoog wil bewandelen. Dat lijkt me wel wat …

Maar … al vind ik Schiltz’ traditie reanimeren op zich een nobel en hoopvol idee, ik heb toch enige bedenking bij dit manoevre van de N-VA dat me eerder als een tactische bocht voorkomt, en niet zozeer als een nobele en consequente houding die de N-VA ook de voorbije jaren heeft willen innemen.

Ik zou zoals een van Brackes oud-collega’s kunnen opwerpen waar die fameuze Maddensdoctrine toch is gebleven, maar zie zelf het nut van die vraag niet in, aangezien dat specifieke punt van kritiek makkelijk verworpen kan worden door op te merken dat het innemen van een federaal niveau (ook in mijn ogen) meer kans biedt op resultaat dan het uitroken ervan. Met andere woorden: in verkiezingstijd Maddensdoctrineren kan enkel schade berokkenen: zowel electoraal aan de N-VA als in het algemeen aan ons land of aan de hervorming ervan. Ook dat die Maddensdoctrine toch alles behalve een dialooggerichte houding is, zou nog kunnen worden uitgelegd door op te werpen dat het de Franstaligen waren die met hun ‘Non’ de Vlaamsgezinde politici tot zulk een halsstarrige houding hadden gedwongen – het is toch godgeklaagd, niet waar?

Ik denk evenwel dat de sluwheid van deze Schiltz-adoratie wel duidelijk(er) blijkt als we nog één stapje verder het verleden in zetten, en wel naar de campagne van 2007. Weinig Vlamingen lijken het zich nog te herinneren, maar het ‘Vlaams kartel’ won die verkiezing op een erg sterk en vijandig communautair discours. Dat de one-liners van Yves Leterme, die hem voor de rest van zijn leven zullen achtervolgen, enkel sterk waren, wil ik eventueel erkennen, maar dat de N-VA campagne – “Laat Vlaanderen niet st(r)ikken”, een persoonlijke allusie op Elio Di Rupo – niet vijandig was, is een illusie die ik mezelf, en met mij ook alle andere Vlamingen, wil besparen.

Ik ben er van overtuigd dat CD&V en N-VA zelf verantwoordelijk waren voor het ‘non’ van de Franstaligen in 2007. Niemand die een beetje menselijk is, zou met genoegen aan een onderhandelingstafel gaan zitten waar – zoals dat was aangekondigd – geen compromis, maar een onvoorwaardelijke hervorming zou worden “onderhandeld” (ahum.). Niemand zou ‘oui’ zeggen over onderhandelingen die worden herleid tot onvoorwaardelijk toezeggen. Dat de houding van de Franstalig maandenlang krampachtig ‘non’ is gebleven, wens ik niet goed te praten, maar wél dat er een ‘non’ kwam op de driedubbele eis van (1) een onvoorwaardelijke staatshervorming, (2) een rooms-blauwe regering (zonder tweederdemeerderheid), (3) Yves Leterme als premier.

Het is trouwens Siegfried Bracke zelf die in 2007 opmerkte dat de massale aanwezigheid van leeuwenvlaggen op het verkiezingsoverwinningsfeestje van het Vlaams kartel door de Franstaligen toch niet onthaald zou worden op veel onderhandelingsbereidheid.

Dat de N-VA bij monde van diezelfde Siegfried Bracke zichzelf nu opwerpt als onderhandelingsbereide partij stemt, mijns inziens, niet overeen met de houding die de partij sinds haar ontstaan heeft aangenomen. In 2007 was het met het mes op de keel van de Franstaligen alles of niets. Is dat mes nu werkelijk een uitgestoken hand geworden? Moi, je m’en doute.

De staatshervorming van de N-VA …
… is die nu radicaal en onvoorwaardelijk, en dus gedoemd om op een hoogst begrijpelijk ‘non’ van de Franstaligen te botsen?
… of zal ze gerealiseerd worden met een open en onderhandelingsbereide houding die ik de partij nog nooit aan de dag heb weten leggen, maar waar ze nu wel mijn stem mee probeert te krijgen?





20.

12 05 2010

“En hoe voelt dat nu?” vragen ze me dan, “hoe voelt dat nu om twintig te zijn?” Alsof niet iedereen weet dat dat kleine verschil, dat die kleine stap tussen 23u59 op de laatste tienerdag van je leven en 00u00 op de eerste dag van je eenentwintigste levensjaar te verwaarlozen is, en eigenlijk helemaal niets betekent. Ik mocht al stemmen, ik was al te jong om op te komen voor de federale verkiezingen, ik mocht al autorijden, ik was al handelingsbekwaam en de wolken die op 11 mei de hemel sierden waren er op 10 mei ook. So no big deal. Er is geen knijt verandert, wat wilt u dat ik me anders voel?

Edoch. Hoewel ik me er volledig van bewust ben dat het an sich niets met mijn twintigste verjaardag te maken heeft, ontpopt er zich dezer dagen een gevoel in mijn binnenste dat ik uit pure gemakszucht – of symboliek, c’est comme tu veux – wel aan de levensjaarovergang wil verbinden. Omdat ik nu eenmaal periodiek denk, en periodes om afbakeningen vragen.

Het gevoel heet hoop. Of geluk. Of lente. What’s in a name?!

Zo
onaf
als dit bericht is
is ook mijn gevoel.

Want we zien wel.
We zien wel wat de volgende letters zijn
de volgende woorden. We zien wel.

We hebben tijd.

en dromen.








Follow

Get every new post delivered to your Inbox.