Zachtjes ruisen de tonen van muziek van vroeger door mijn oren. In mijn hoofd speelt zich een film af uit het verleden. Hoe ik, hoe een jongere ik, leefde. Verdwaasd is mijn geest, alsof ook het bloed dat door mijn aderen pulseert dat van vroeger is. Alsof het hele leven overdekt is met een flinterdun laagje goudgeel stof dat het verleden weerspiegelt in het verse zonlicht.
Ik ben een kind. Van de jaren negentig. Hoewel verwekt voor, ter wereld gekomen na de val van de Berlijnse muur. Opgegroeid in een wereld ver van oorlog en geweld, onbewust van een Eerste Golfoorlog of de implosie van Joegoeslavië. Een kind van vooruitgang. Een kind van het toenmalige heden en van de hedendaagse toekomst.
Zonder dat die gedachte ooit bewust bij mij is opgekomen, proefde mijn eerste decennium als een constante, eindeloze evolutie naar nog beter. Alsof ik geboren was op het hoogtepunt van de beschaving. Alsof die beschaving zich nog stapje per stapje verder naar omhoog trok. Alsof het moment waarop ik leefde, waarop wij leefden, het meest volmaakte moment uit de wereldgeschiedenis was. Een volmaakt moment dat weliswaar niet af was, maar toch bewoog naar het punt waarop de wereld wel af zou zijn.
Ik heb als kind nooit begrepen waarom de Bijbel uitmondt in de Apocalips. Ik begreep niet hoe iemand kon geloven dat de wereld zich bergafwaarts bewoog, terwijl alles er in mijn ogen op wees dat het goed ging, dat het goed was.
Pas later is mijn besef gekomen dat de wereldgeschiedenis geen constante lijn naar omhoog is. Wereld Oorlog II is het diepste punt dat ‘onze beschaving’ ooit bereikt heeft, een diepte die gemakkelijk op Den Duits afgeschoven zou kunnen worden is, maar die eigenlijk de diepte van onze eigen industriële denktrant is. Het aanslepende conflict in Israël-Palestina is evenmin een bewijs van vooruitgang. De ecologische toestand van onze planeet, het groeiende conflict tussen ‘westers’ en ‘Islam’, de frustratie binnen ons eigen België … Het zijn al die voorbeelden die tot me zijn beginnen door dringen. Tijdens het opgroeien. Tijdens het groter worden.
Het besef groeide.
Het besef zou me kunnen verlammen. Dat heeft het ook, althans mijn hoop. Ik meen dat het beseft bijzonder veel westerse, opgroeiende mensen verlamt – in de loop van het leven. De moderne versie van hoe men jong en communist hoort te zijn en minder jong en kapitalist, luidt volgens mij dat men jong en optimist mag zijn, maar dat men eens ouder beter een mantel van onverschilligheid aantrekt. Zolang men jong is, durft men dromen. Mag men het ook. Als we ouder worden – en dat ouder situeer ik niet rond 30, maar rond 18 jaar – dan lijkt het tijd om de ogen te openen, om realistisch te worden. En in onze westerse maatschappij betekent dat al gauw: tijd om de blik af te wenden van de problemen die we als onvatbaar beschouwen.
Ik geloof dat het goed is de ogen te openen – realistisch te worden. Met dromen alléén bouwt men geen betere wereld, noch een toekomst. Maar waarom die blik – eens de ogen geopend – dan afwenden? Waarom toelaten dat de onverschilligheid zich onder onze huid vastzet als nicotineresten onder rokersnagels? Waarom gaan geloven dat het toch geen verschil maakt, jouw ene droom? Waarop opgeven?
Als ik in onze maatschappij, in de druk van het alles en iedereen, van de grote stroom, van peer pressure en van iedereen hetzelfde; als ik daarin iets zou kunnen veranderen, dan was het dat we bij het ouder worden onze blik niet zouden afwenden van de wereld en haar problemen, maar hem er strak op gericht zouden houden; dat we dan af en toe bij het knipperen met onze ogen onze droom nog op onze oogleden gebrand zouden zien; dat we dan samen, met realistisch open blik, met de nazinderende dromen van ons allen, dat we zo iets zouden kunnen, iets zouden durven betekenen.
Want zoals dat is met stemmen, zo is dat ook met dromen: elke stem telt. Elke eerlijke aankoop, elke ecologische druppel, elk vonkje energie, elk beetje …
Elke droom … telt.
Melancholie… troef? Of toch eerder bijbelse apocalyptiek? Zich afspelend op 2 niveau’s: heden en toekomst. Realistisch-idealistisch. Duidelijk en verhullend. Doen en hopen.
Da’s nog altijd goed zeker… blijven geloven in de toekomst, blijven dromen (dat het onmogelijke ooit eens mogelijk wordt), positief-optimistisch (en toch realistisch).
Is dat niet juist leven? Blijven geloven in de dromen van je jeugd… ze warm houden (decennia lang) en er blijvend voor gaan.
Het Toevalligheidsprincipe aandachtig, kwam ik hier terecht…
Ik las kwellingen, ideaalbeelden en mooie woorden…
Je hebt gelijk.
Onverschilligheid troef.
Dromen wordt gestraft.
Maar wij die het mogen oplossen, wij houden van onze wereld. Een wereld die inderdaad lijkt te streven naar het grootste contradictio in terminis dat onze geschiedenis, hoe astrologisch onbenullig ook, gekend heeft. Wij zoeken de hoogste moraal en dragen deze in onze vaandels. Maar tegelijk streven onze grote, volwassen voorbeelden naar een gelijdelijke ondergang…
Het dromen wordt verhinderd door de realiteit… Maar is de realiteit ook niet opgebouwd uit de dromen van een ander? Hebben zij voor ons niet gedroomd van een wereld zoals wij deze beleven? Leven we dan uiteindelijk niet in een droomwereld?
Ik denk dat graag, zo kan ik ook blijven dromen en is jouw statement waar:
Elke droom telt…
17 mei vorig jaar voor de laatste keer geschreven…
is dat niet heel lang?
ik denk het wel voor zo’n talent